De zwangerschap na een transplantatie

grossesse

Vrouwen die zwanger willen worden, moeten minstens een jaar wachten na de transplantatie vooraleer dit te overwegen. Bovendien moeten ze een goede lichamelijke conditie hebben, een normale nier- en leverfunctie en geen overdraagbare ziekte hebben, in het bijzonder geen virale infectie die op het kind zou kunnen worden overgedragen.

 

De zwangerschap zelf moet zeer regelmatig worden opgevolgd. Er bestaat voor het kind immers een risico op prematuriteit en een laag gewicht. De opvolging door de gynaecoloog moet vaker gebeuren dan voor niet-getransplanteerde vrouwen. Anderzijds bestaat er op het einde van de zwangerschap, maar vooral juist na de bevalling een verhoogd risico op afstoting van het getransplanteerd orgaan waardoor op het ogenblik van de bevalling een verzwaring van de immunosuppressieve behandeling vereist.

 

Enkele risico’s die we moeten vermelden:

Er blijkt een iets groter risico te bestaan op (matige) prematuriteit en een laag geboortegewicht bij getransplanteerde vrouwen ten opzichte van de algemene bevolking. Het risico op een miskraam blijkt ook iets groter te zijn bij de getransplanteerde vrouw, hoewel dit niet duidelijk is aangetoond. Het risico op buitenbaarmoederlijke zwangerschap blijkt niet hoger te zijn dan bij de algemene bevolking.

Ten slotte is het risico op misvorming globaal genomen gelijkaardig aan dit bij de algemene bevolking. Deze kleine stijging van het risico – in het bijzonder op prematuriteit, een laag geboortegewicht en miskraam – blijkt meer voor te komen in geval van arteriële hypertensie en diabetes bij de moeder.

De zwangerschap moet goed worden opgevolgd, in het bijzonder in geval van arteriële hypertensie en diabetes, omwille van hierboven beschreven risico’s en het risico op pre-eclampsie.

Het risico op afstoting van het orgaan is laag bij een zwangerschap. Het wordt tussen 2 en 5 % geschat, wat niet sterk blijkt te verschillen met wat wordt waargenomen zonder zwangerschap was. Niettemin, uit voorzichtigheid, moet de controle tijdens de zwangerschap groter zijn, met bepaling van de concentratie van de geneesmiddelen in het bloed en door meer frequente biologische lever- en niertesten.

Soms wordt een dosisstijging van de behandeling voorgesteld, in het bijzonder in bepaalde indicaties, op het einde van de zwangerschap en tijdens de periode die onmiddellijk volgt op de bevalling. De dosis van de geneesmiddelen zullen vervolgens enkele weken na de zwangerschap worden verlaagd tot de gebruikelijke dosis.

Er bestaat altijd het risico dat een geneesmiddel tijdens de zwangerschap misvormingen bij het kind kan induceren, ongeacht of het de vader of de moeder is die de behandeling krijgt. Voor veel geneesmiddelen weten we dat het risico op misvorming niet bestaat of gering is, maar voor geen enkel geneesmiddel kan er garantie gegeven worden.

Als een vrouw die geneesmiddelen krijgt zwanger wordt, moet de arts rekening houden met het theoretisch risico voor het kind (dat zou kunnen leiden tot het stopzetten van het geneesmiddel) en het risico op afstoting bij de moeder (dat kan leiden tot het voortzetten van de behandeling).

Bij twijfel, in het bijzonder als iemand zwanger is en bepaalde soorten geneesmiddelen inneemt, kan hij voorstellen om te zoeken naar een misvorming van het kind tijdens de zwangerschap met de gebruikelijke technieken.

 

De borstvoeding

Bepaalde immunosuppressiva kunnen overgaan in de melk van getransplanteerde vrouwen. Borstvoeding bij getransplanteerde vrouwen is dus afgeraden.

Laatst aangepast op maandag, 21 juni 2010 12:18
 
 
French (Fr)Nederlands - nl-NL