De immunosuppressieve behandelingen

Om afstoting te vermijden, krijgt de patiënt een behandeling die als doel heeft de immuunrespons te onderdrukken en de afstoting te voorkomen.
De immunosuppressieve behandeling moet, in de meeste gevallen, levenslang worden genomen.
De dagelijkse doses zijn in het begin relatief hoog, maar worden geleidelijk verminderd.
Er zijn verschillende soorten immunosuppressiva beschikbaar:
1. De calcineurine-inhibitoren:
-
Prograft® (tacrolimus met onmiddelijke afgifte): moet 2 maal per dag worden genomen met telkens 12 uur tussen twee innamen, en elke keer op hetzelfde uur.
-
Advagraf® (tacrolimus met verlengde afgifte): moet 1 maal per dag worden genomen met telkens 24 uur tussen 2 innamen, en elke keer op hetzelfde uur.
Belangrijke nota: het is noodzakelijk dat de patiënt Advagraf® (tacrolimus met verlengde afgifte) in één inname per dag inneemt en Prograft® (tacrolimus met onmiddellijke vrijstelling) in 2 innames per dag. Prograft® in 1 inname per dag innemen zou een te lage dosering veroorzaken met risico op afstoting. Advagraf® in 2 innames nemen, zou een te hoge dosis geven met toxische bijwerkingen.
De patiënt dient zich stipt aan de uren te houden opdat de concentratie van het geneesmiddel in het bloed stabiel en correct zou blijven. De dagelijkse dosis zal worden bepaald naargelang het gehalte in het bloed. Deze dosering varieert van de ene patiënt tot de andere.
Als de dosering te laag is, bestaat er een risico op afstoting. Als de dosering te hoog is, kan dit aanleiding geven tot bijwerkingen. Het is dus noodzakelijk om regelmatig het gehalte in het bloed te controleren,
2. De antimetabolieten:
- CellCept® (mycofenolaat mofetil)
- Myfortic® (Natrium-mycofenolzuur)
- Imuran® (azathioprine)
3. De mTor-inhibitoren:
- Rapamune® (sirolimus)
- Certican® (everolimus)
4. De corticosteroïden:
- Medrol® (methylprednisolone)
De artsen en de verpleegkundigen (plus transplantatiecoördinatoren) van het transplantatiecentrum zullen de patiënt uitleggen welke behandeling hij moet nemen.
Enkel de artsen die gewoon zijn om met immunosuppressieve geneesmiddelen om te gaan, mogen de behandeling veranderen.
Hoewel de gebruikte immunosuppressieve geneesmiddelen een doeltreffend middel zijn om het risico op afstoting te verminderen of deze te voorkomen, kunnen deze geneesmiddelen ook bijwerkingen veroorzaken:
- het risico op infecties en kanker verhogen
- achteruitgang van de nierfunctie
- arteriële hypertensie
- diabetes
- neurologische stoornissen
Om de bijwerkingen te beperken en de dosis te verminderen, zullen meestal meerdere immunosuppressieve geneesmiddelen worden gecombineerd. De arts die de transplantatie uitvoert, zal de beste geneesmiddelencombinatie zoeken die de nierfunctie en het transplantaat, het lichaam en de levenskwaliteit van de patiënt zo goed mogelijk respecteert.
Verander niets aan uw immunosuppressieve behandeling zonder uw arts te raadplegen.
Enkel artsen met ervaring in immunosuppressieve therapie mogen uw behandeling aanpassen. |