De afstoting
Na de transplantatie bestaat er een groot risico op afstoting (rejectie) van het getransplanteerde orgaan. Het nieuwe orgaan wordt door het lichaam – waarin het werd getransplanteerd – beschouwd als een vreemd lichaam.
De rejectie is een reactie van het immuunsysteem en kan zich uiten door niet-specifieke symptomen zoals koorts en door specifieke symptomen in funktie van het getransplanteerde orgaan (achteruitgang van de werking van het getransplanteerde orgaan).
Het risico op afstoting is groter tijdens de eerste maanden na de transplantatie; het vermindert nadien maar blijft gedurende de rest van het leven bestaan.
Het afstoten van het getransplanteerde orgaan door het immuunsysteem van de patiënt in het ergste geval kan leiden tot het verlies van het getransplanteerde orgaan. Meestal kan men met het verhogen van de immunosuppressiva in het ziekenhuis de rejectie behandelen.
Voor wat de patiënten met een hart-, long- en levertransplantatie betreft, houdt het verlies van het transplantorgaan een onmiddellijk gevaar in voor het leven van de patiënten. Voor patiënten met een niertransplantatie is het mogelijk om (tijdelijk) terug te keren naar een dialyse, in afwachting van een nieuwe transplantatie. |
|
Laatst aangepast op dinsdag, 27 oktober 2009 15:21 |